Journal
Geen categorie 14 april, 2014

Collecting Geographies: Close Reading of Collection Practices

Op 13, 14 en 15 maart 2014, organiseerde het Stedelijk Museum in samenwerking met de ASCA/ACGS van de Universiteit van Amsterdam, Moderna Museet Stockholm, Folkwang Museum Essen, en bet Tropenmuseum Amsterdam de conferentie Collecting Geographies: Global Programming and Museums of Modern Art. Met meer dan 80 papers, lezingen en paneldiscussies bood de conferentie een caleidoscopisch overzicht van urgente kwesties en vragen die momenteel centraal staan in discussies over de relatie tussen musea, kunstinstellingen, globalisering en het postkoloniale discours.

2014 Collecting Geographies SMA 012 adlib

Nu we met enige afstand kunnen terugkijken, leek het ons een goed moment om een aantal eerste conclusies op de website to publiceren in een serie verslagen ook omdat, gezien de omvang van het programma, ledereen Net alle sessies heeft kunnen bilwonen. Een klein, bevlogen team van schrijvers tekende voor het Online Platform van Global Collaborations de hoogtepunten, kritische noten en uitdagende discuss ies op. Drie weken geleden kon u hier al een impressie van de openingsavond lezen, gevolgd door het versiag van de discussie Thinking Globally: Museums, Art and Ethnography after the Global Turn in het Tropenmuseum. Hierna kunt u Michelle Sachtler’s verslag lezen over de tweedelige sessie Close Reading of Collection Practices waarin een aantal concrete casussen werden besproken die leder op hun eigen manier een antwoord formuleerden op een van de hoofdvragen van de conferentie: Hoe integreren musea (hun idee van) global art in hun collectie en aankoopbeleid?

In de sessie Close Reading of Collection Practices werd een selectie papers gepresenteerd met als focus de modus operandi van moderne kunstmusea qua beleidsvorming op het gebied van hun collecties en het alomtegenwoordige globaliseringsproces. In de sessie kwamen zowel meer gevestigde musea als relatief jonge instellingen aan bod, en werden onderwerpen behandeld zoals de communicatie en netwerken tussen musea wereldwijd, de modernisering van musea en het verloop van dit proces, en de inbedding van global art in museumcollecties. Dr. Thomas J. Berghuis modereerde de sessie en presenteerde tevens de eerste paper.

Thomas Berghuis is de Robert H. N. Ho Family Foundation Curator of Chinese Art in het Solomon R. Guggenheim Museum in New York. Berghuis presenteerde de paper Museums’ Software: Curating, Collecting and Commissioning Contemporary Chinese Art. Hierin ging hij uitvoering in op zijn werkzaamheden als curator in het Guggenheim, die grotendeels plaatsvinden in het kader van de samenwerkingsverbanden tussen het museum in New York en verschillende musea in Azie. Deze uitwisseling werkt beide kanten op: zo toont het Guggenheim bijvoorbeeld werk van de hedendaagse Chinese kunstenaar Wang Jianwei, en putten musea in China en Hong Kong inspiratie uit de werkwijzen van de curatoren in musea hier in het Westen. Berghuis’ uitleg over de manier waarop instellingen zoals het Guggenheim als model dienen voor nieuwe musea in Azie, leidde tot discussie. Met name of het bestempelen van het westerse museum voor moderne kunst als voorbeeld stellend en het vervolgens verspreiden in niet-westerse landen, niet gezien moet worden als een nieuwe vorm van kolonialisme? Musea kunnen als nationale — of nationalistische instellingen functioneren, maar hoe zelf-reflexief zijn ze ten aanzien van hun eigen cultuur wanneer ze gemodelleerd worden naar een westers voorbeeld? Het is voor alle moderne musea een uitdaging om een passende manier te vinden om op globaal niveau mee te draaien en zich tegelijkertijd te verbinden met de lokale context.

Wang Jianwei, The event matrured, accomplished in sight of all non-existent human outcomes. 2013

Winograd, curatorial fellow bij het Museum for Contemporary Art in Chicago, presenteerde haar onderzoek naar het collectie- en aankoopbeleid van niet-westerse kunst van Tate Modern in Londen. In reactie op de politieke druk in Groot-Brittannie in de jaren 1980 en ’90 om de banden met Latijns-America aan te halen, stelde Tate met Cuauhtemoc Medina haar eerste Latijns-Amerikaanse curator aan, Tevens werd er een curator aangewezen met als taak Latijns-Amerikaanse kunst aan te kopen. Tate’s aanpak was in zoverre uniek dat zij met Medina niet alleen een curator aanstelden die binnenshuis tentoonstellingen maakte, maar vanuit zijn positie werd hij ook een soort wegbereider voor Latijns-Amerikaanse kunst die vervolgens door het museum werd aangekocht. Tate’s keuze voor Latijns-Amerika als speerpunt voor hun eerste grote acquisitie program ma, werd deels ingegeven door het felt dat Groot-Brittannie geen koloniale geschiedenis met deze regio deelt. Dit project is zeker een eerste stap op weg naar een uitbreiding van de collectie met kunst uit andere culturen. Maar het mag duidelijk zijn dat Tate Modern — en andere belanghebbende westerse Musea meer uitdagingen op hun pad zullen tegenkomen op het moment dat er kunst aangeschaft die wei afkomstig is uit voormalige kolonien. Volgens Winograd gaat het niet zozeer om het omzeilen of negeren van bestaande politieke banden, maar om het vinden van manieren die de historische relaties erkennen en tegelijkertijd nieuwe relaties maken via moderne en hedendaagse kunst. Winograd’s presentatie zorgde voor de nodige kritische vragen; met name over de criteria die Tate hanteert voor haar acquisities. Zijn zij opzoek  naar kunstenaars die ‘representatief zijn voor Latijns-Amerika? En welke plaats hebben kunstenaars zoals Francis Alys en Melanie Smith, kunstenaars met Europese wortels maar die over het algemeen als ‘niet-westers’ warden beschouwd?

Mathaf Museum, DohaIrene Campolmi, assistent-onderzoeker log het Louisiana Museum voor Moderne Kunst in Humlebaek, bracht in aanvulling op de discussie rondom het postkolonialisme, het onderwerp `cluurzaamheld’ under de aandacht, vooral in de ontwikkeling van musea. Duurzaamheid is op allerlei vlakken een belangrijke factor in de modernisering en globalisering van instituten, en dus ook voor musea. Het is niet voldoende als musea enkel duurzaam opereren op economische en milieutechnisch vlak, zij moeten ook duurzaam opereren in cultureel opzicht, aldus Campolmi. Campolmi vergelijkt musea met ecosystemen; net als in deze systemen is e rook in musea sprake van een herbestemming van bronmateriaal en middelen, namelijk van kunst en cultuur. Haar onderzoek richt zich op de manier waarop musea nieuwe, duurzame(re) collecties en structuren kunnen creeren, en meer te doen dan enkel oudere modellen te ‘upcyclen’. Volgens Campolmi kunnen Tate Modern in London, het Stedelijk Museum in Amsterdam, Reina Sofia in Madrid en het Mathaf Arab Museum in Qatar in dit opzicht als voorlopers worden beschouwd omdat zij hun tentoonstellingsmodellen aan het herzien zijn, en voor alternatieve manieren kiezen om het verhaal en de canon van de moderne kunst te vertellen bijvoorbeeld door afstand te nemen van het lineaire systeem gebaseerd op chronologie en in plaats daarvan opteren voor een thematische aanpak. Campolmi benadrukt dat gezien vanuit een sociaal perspectief bezien musea hun duurzame karakter kunnen verbeteren door meer te netwerken en meer met elkaar te communiceren.

Onafhankelijk curator en schrijfster Jennifer Burris sprak over haar onderzoek naar de aanschaf van kunstwerken gemaakt van mensenhaar door het Museum voor Moderne Kunst in New York. Het gebruikte materiaal – mensenhaar- zet kijkers aan om na te denken over de mensetijke dimensie van het kunstwerk, en verwijst naar thema’s als leven, dood, en individuele geschiedenissen. Een van de belangrijkste argumenten van Burris’ betrof de vermeende universele identiteit van haar: haar is misschien een universele menselijk toebehoren, de betekenis die eraan wordt toegekend is niet overal hetzelfde. Met betrekking tot het zogenaamde global programming moeten musea volgens Burris op hun hoede zijn wanneer zij kunstwerken tentoonstellen die hun betekenis aan een specifieke context ontlenen.

De presentatie van Dr. Konstantina Drakopoulous, kunsthistorica uit de Universiteit van Athene had min of meer dezelfde strekking. Haar onderwerp betrof de verandering in de betekenis van de Ethiopische kunst in Griekse verzametingen. presentatie leidde tot een interessante discussie over het verschil tussen ‘hedendaagse’ en `inheemse’ kunst, en de rol die de consument hierin speelt. Ethiopische kunstenaars schilderden aanvankelijk in opdracht van de staat, maar met het teruglopen van deze opdrachten begonnen ze ook voor de toeristenmarkt werken. Drakopoulou stelt dat op het moment dat de artistieke stip zich conformeerde aan de smaak van de toeristen en de schilderijen niet langer met een lokale functie (lees: context) werden gemaakt, het werk niet langer als ‘folklore’ of inheemse kunst gezien kan worden. Deze theorie zorgde voor wat ophef in de zaal over het labelen van objecten als ‘kunst’ want, gaat het bij deze schilderijen over uitingen van ‘kunst’ of van ‘cultuur’? Wie bepaalt dit, en welke rol spelen musea in deze discussie?

Audience

Over het algemeen daagden de presentaties in deze sessies ons uit om kritisch te kijken naar de criteria die musea hanteren in hun acquisitie beleid, en het vermogen om een context voor kunstwerken afkomstig uit een andere cultuur te creeren. Het is duidelijk dat musea vandaag de dag voor verschillende uitdagingen staan modernisering, uitbreiding, de noodzaak om een balans te vinden tussen nationale en Internationale verhaallijnen en de discussies die tijdens de sessies ontstonden, legden de basis om door te gaan met het zoeken naar manieren om moderne kunstcollecties uit te breiden en te verbeteren.

 

Michelle Sachtler heeft een MA in Kunst en Cultuurwetenschappen aan de Universiteit van Leiden en werkt momenteel als stagiaire in het Stedelijk Museum Amsterdam.

Fotos Monique Kooilmans.

 

Tags

Related Posts



Geef een reactie