Journal
Geen categorie 8 juli, 2014

Collecting Geographies: Nationale Narratieven

Op 13, 14 en 15 maart organiseerde het Stedelijk Museum in samenwerking met de ASCA/ACGS van de Universiteit van Amsterdam, Moderna Museet Stockholm, Folkwang Museum Essen, en het Tropenmuseum Amsterdam de conferentie Collecting Geographies: Global Programming and Museums of Modern Art. Met meer dan 80 papers, lezingen en paneldiscussies bood de conferentie een caleidoscopisch overzicht van urgente kwesties en vragen die momenteel centraal staan in discussies over de relatie tussen musea, kunstinstellingen, globalisering en het postkoloniale discourse.

Paul Goodwin, Collecting Geographies

Nu we met enige afstand kunnen terugkijken, leek het ons een goed moment om een aantal eerste conclusies op de website te publiceren. Een klein team van bevlogen schrijvers tekende de hoogtepunten, kritische noten en uitdagende discussies van de conferentie op in een serie verslagen. Eerder kon u hier al een impressie van de openingsavond lezen, gevolgd door het verslag van de discussie Thinking Globally: Museums, Art and Ethnography after the Global Turn in het Tropenmuseum en het verslag gewijd aan de sessie Close Readings of Collection Practices. In het hierna volgende artikel doet Manon Braat verslag van Deel 1 van de sessie Nationale Narratieven waarin papers werden gepresenteerd die inzoomen op de verschillende wijzen waarop ‘Afrika’ in westerse kunstinstellingen wordt gepresenteerd, gerepresenteerd en geësthetiseerd. Deel 2 van Nationale Narratieven zal volgende maand gepubliceerd worden.

In zijn paper Art from Africa: Research on the African Portuguese-speaking countries  bespreekt onafhankelijk curator en criticus Miguel Amado wat hij de Geographical Turn noemt – een term die de tendens van westerse kunstinstellingen beschrijft om de focus van hun aankopen, tentoonstellingen en expositie strategieën geografisch uit te breiden buiten de westerse wereld –  en hoe deze verandering onderhevig is aan trends wat betreft de regio centraal staat. Volgens Amado vormt Afrika de huidige trend.

Amado vertelt over de vele uitdagingen die hij als blanke Europeaan tegenkomt tijdens zijn onderzoek naar de artistieke praktijk in Afrika (zijn onderzoek richt zich specifiek op de voormalige Portugese kolonies). Een van de problemen is het gegeven dat de historische koloniale band tussen Europa en Afrika ook nu nog bepalend is voor de verhouding tussen continenten. Volgens Amado kan het curatorschap in het westen vandaag de dag nog steeds koloniaal zijn. Het Tate Modern museum zit in de voorhoede van deze geografische wending. Zij hebben commissies in het leven geroepen die zich op allerlei verschillende regio’s in de wereld richten. Op hun beurt worden deze commissies gefinancierd door particulieren en bedrijven uit die specifieke regio’s.

100_1616View of the gallery Nucleo de Arte, Maputo, Mozambique

Volgens Amado demonstreert deze strategie dat er nog steeds gewerkt wordt binnen de bestaande machtsstructuren en systemen: alle kunstenaars willen getoond worden in Tate Modern, omdat het canon der kunstgeschiedenis nog altijd gevormd wordt door de grote westerse instellingen, zoals het Tate. Een instelling in de niet-westerse wereld zou nooit zelf het canon kunnen herschrijven. Echter, zoals Tate Modern het canon van de westerse kunst probeert te herschrijven in een poging het universeel te maken, draagt het ook bij aan het ontstaan van lokale canons. Als het werk van een kunstenaar uit Nigeria in Tate Modern tentoongesteld wordt, zal hij ook in het thuisland meer faam krijgen. Dit roept de  vraag op hoe wij, als curatoren, deze kolonialistische manier van werken kunnen vermijden. Amado erkent dat geen duidelijk antwoord is, maar curatoren moeten zich ten minste bewust zijn van deze mechanismen en systemen. Amado pleit voor wat hij het progressieve programma noemt: het benoemen van curatoren met een duidelijk geografisch profiel en er zorg voor blijven dragen dat tentoonstellingen werk bevatten van zowel westerse als niet-westerse, mannelijke en vrouwelijke kunstenaars.

detail Gerard Quenum, L'AngeIn zijn paper Recycled Objects; Exhibiting Africa in Scotland, bespreekt Geoffrey Swinney het tentoonstellingsmodel waarin hedendaagse Afrikaanse kunst naast historische Afrikaanse objecten geplaatst wordt. Swinney, die Honorary Research Associate is bij de National Museums Scotland in Edinburgh, nam als casus het kunstwerk L’Ange uit 2008 van de Beninse kunstenaar Gerard Quenum. Het kunstwerk is samengesteld uit verschillende materialen en bevat gerecyclede en gevonden objecten zoals afgedankte poppen die oorspronkelijk in de Europese hulppakketten zaten voor kinderen in Afrika. L’Ange werd in 2009 aangekocht door het National Museum of Scotland, met als bedoeling een hedendaagse uitingsvorm toe te voegen in reactie op de expositie van de traditionele Afrikaanse houtsnijwerk sculpturen in de Artistic Legacies Gallery van het museum. Het idee achter de tentoonstelling van L’Ange was dat Quenums sculptuur een brug zou slaan tussen de traditionele figuratieve sculpturen en ‘het hedendaagse’, en als het ware een recycling belichaamt van de historische collectie in een postkoloniale en postmoderne context. Swinney suggereert dat Hilde Heins’ concept van het museum, als een performance van ruimte waarin objecten en mensen actieve deelnemers zijn en op zichzelf een openbare kunstvorm vormt, een methode en een model biedt om de rol van hedendaagse kunst in het recyclen van historische collecties, te kunnen construeren en deconstrueren.

2014 Collecting Geographies SMA 103 adlib

Madison Florence Bernault, professor in Afrikaanse Geschiedenis aan de Universiteit van Wisconsin, bespreekt in haar paper Fetishes and Markets in and out Equatorial Africa de magische talismannen uit Equatoriaal-Afrika die in de collecties van verschillende Europese musea zijn beland. Het is algemeen bekend dat deze amuletten in de koloniale tijd werden gestolen door missionarissen en bestuurders. Sinds de vijftiende eeuw maken Europeanen een strikt onderscheid tussen talismannen, dat wil zeggen objecten met een spirituele functie wiens symbolische betekenis zo belangrijk zijn dat zij niet worden verhandelt, en goederen, objecten speciaal voor de markt geproduceerd. Bernault stelt echter dat dit onderscheid niet zo duidelijk kan worden gemaakt. Historisch bewijs laat zien dat er waarschijnlijk al voor de vijftiende eeuw gehandeld werd in de magische amuletten. Het is volgens haar een gevolg van de slavenhandel, het kolonialisme, en door het kapitalisme, dat deze spirituele objecten meer en meer tot koopwaar zijn geworden. Het zuiveren van het contrast tussen goederen enerzijds en fetisj anderzijds is een Eurocentrische benadering. In plaats daarvan stelt Bernault voor dat objecten een heilige waarde kunnen hebben en dat deze waarde niet vernietigd wordt door ze te verhandelen. Ze vergelijkt deze spirituele objecten met heel kostbare schilderijen: ze hebben een waarde die niet uitgedrukt kan worden in termen van de markt, en hebben tegelijkertijd wel een economische waarde. Tegenwoordig is er een overlap tussen de markt voor Afrikaanse objecten met een religieuze of symbolische functie en wat we de hedendaagse markt noemen. Er zijn echter ook benaderingen die er tussen in lijken te zitten. De vraag is: hoe behandelen we deze?

 

Manon Braat is kunsthistorica en freelance kunstcritica te Amsterdam.

Deze herfst publiceert het Stedelijk Museum Amsterdam de eerste editie van het nieuwe academische tijdschrift, Stedelijk Studies. De focus zal liggen op de conferentie Collecting Geographies.

 

 

Tags

Related Posts


Geef een reactie