Journal
Geen categorie 30 december, 2014

How far How Near: Fotografie en betekenisgeving

Als onderdeel van Global Collaborations stelde curator Jelle Bouwhuis een tentoonstelling samen met werken uit de collectie van het Stedelijk Museum. How Far How Near – De Wereld  in het Stedelijk blikt terug op de samenstelling en totstandkoming van de collectie met name met het ook op kunst uit regio’s buiten Europa en Noord-Amerika en is tegelijkertijd een pleidooi voor meer aandacht voor kunst uit deze gebieden. Fotografie neemt in de tentoonstelling een belangrijke plek in. Mirjam Kooiman, als conservator in opleiding bij het Stedelijk betrokken bij de totstandkoming van de tentoonstelling, gaat in twee korte essays in op de rol die fotografie door de jaren heen heeft gespeeld in onze beeldvorming van de wereld buiten Europa. In januari volgt deel 2.

Installatie exhibitionposters How Far How Near

“The photographic image is a message without a code.” Met deze uitspraak bedoelde de Franse filosoof Roland Barthes onder meer dat de boodschap, oftewel de betekenis van een foto sterk afhangt van de context waarin de foto verschijnt. Het beeld dat de foto als object toont staat zelden op zichzelf: met andere woorden, onze omgang en interpretatie van dat wat we zien op een foto, onze beeldvorming, wordt beïnvloed door een reeks factoren: bijvoorbeeld, de intentie van de maker, de context waarin de foto getoond wordt (als onderdeel van een reportage in een tijdschrift of tussen andere werken in een tentoonstelling), of ons eigen referentiekader dat we loslaten op het beeld.

In het kader van de tentoonstelling How Far How Near in het Stedelijk Museum, is een bescheiden greep gedaan uit een belangrijke traditie van documentaire- en reportagefotografie die een substantiële verzamellijn vormt in de fotografiecollectie van het Stedelijk. Deze worden tentoongesteld rondom de monumentale trap in het museum, waar ze de hoge wanden delen met historische affiches uit de collectie grafische vormgeving. Dit zijn bijvoorbeeld advertentieaffiches van koloniale tentoonstellingen, campagnes voor of tegen een onafhankelijk Indonesië, de strijd tegen apartheid, maar ook kleurige reclameaffiches voor ‘exotische vakanties’. Samen herinneren deze beelden ons aan beladen, historische gebeurtenissen als apartheid, black poverty, kolonialisme en exotisme.

Installatie exhibitionposters How Far How NearDe foto’s die zich aan deze wanden bevinden maken oorspronkelijk veelal deel uit van reportagereeksen die onder meer gepubliceerd werden in bekende tijdschriften zoals LIFE of National Geographic, of bijvoorbeeld in fotojournalistieke boeken. Wat betekent het voor de betekenisgeving van zo’n foto wanneer deze zoals nu, aan de museumwand van een (kunst)museum prijkt, in een thematische tentoonstelling als How Far How Near? Om de rol van dit soort foto’s, die niet primair bestemd waren voor de museumwand, in de context van het kunstmuseum te bevragen, is het noodzakelijk om een bredere blik te werpen op hoe foto’s binnen verschillende kaders ‘opereren’.

George Rodger, The Wrestler. Korongo Nuba, 1949

Tussen een aantal affiches die droomvakanties in Afrika adverteren en impliciet verwijzen naar een westers exotisme, hangt een iconische foto van de Britse fotograaf George Rodger, The Wrestler. Korongo Nuba. Een donkere man zit fier rechtop op de schouders van een ander. Zijn naakte, gespierde lichaam lijkt net een gepolijste sculptuur. Woest en trots kijkt hij recht in de lens. Het was 1949 toen Rodger deze foto nam, tijdens zijn tweejarige reis dwars door Afrika. Het doel van zijn reis was om stammen vast te leggen wiens levenswijzen nog niet waren beïnvloed door het kolonialisme, en om met zijn fotoserie inzicht te geven in het leven en de gebruiken van deze bijzondere volkeren. George Rodger, The Wrestler. Korongo Nuba (1949)

In 1949 verscheen zijn serie van de Nuba stam in Weekly Illustrated, gevolgd door een gecensureerde versie (zonder geslachtsdelen en bloedsporen) in National Geographic in 1951. In 1955 publiceerde Rodger het fotoboek Village des Noubas met zijn eigen begeleidende tekst. Desondanks ging de krachtige foto van de worstelaars een eigen leven leiden: reproducties van deze foto op posters, briefkaarten en in boeken hebben dit beeld losgeweekt van de serie waar het oorspronkelijk in thuis hoorde.Vandaag de dag zullen niet veel mensen bekend zijn met de Nuba’s, noch met George Rodger. In het westerse collectieve geheugen toont deze foto inmiddels niet zozeer een ritueel van de Nuba’s waarbij de winnaar van een worstelwedstrijd door zijn verliezer op de schouders gedragen wordt, maar is de foto tot toonbeeld van de ‘nobele wilde’ verworden- als icoon van het westerse, exotische idee van ‘Afrika.’

Willem Diepraam, Kampement van de Peuhl, Senegal, 1979

Een paar stappen verder hangen drie foto’s van de Nederlandse fotograaf Willem Diepraam, waarin opeenvolgend steeds verder wordt ingezoomd op een jongetje in een kampement van de Peuhl in Senegal. Het jongetje was verlegen voor de camera: de fotograaf moest hem voorzichtig laten wennen aan het apparaat. Steeds zette hij een stap dichterbij, totdat hij het juiste beeld van het jongetje te pakken had. Met een schuwe, maar indringende blik kijkt hij ons aan. De foto was waarschijnlijk precies het beeld dat het Comité Kinderpostzegels in gedachten had toen zij in 1979 Diepraam de opdracht gaf om in de West-Afrikaanse Sahel ontwikkelingsprojecten te fotograferen en er beelden voor een kinderzegelserie te maken. Het noodlijdende jongetje op de zeer bewust geschoten foto moest Nederlanders over de streep trekken om de zegels te kopen. De foto verscheen in 1982 ook in het fotoboek Sahel, waarin een fotojournalistiek beeld wordt geschetst van het betreffende gebied, op basis van foto’s van vijf reizen die Diepraam maakte. Uit het boek blijkt dat Diepraam een andere benadering van het onderwerp had, dan de kinderpostzegel doet vermoeden: beelden van honger en ellende worden afgewisseld met foto’s van alledaagse bezigheden en esthetische landschappen. Diepraam was van mening dat een te eenzijdige nadruk op ellende de realiteit teveel versimpelde[i] en wilde in zijn fotoboek bewust het stereotype beeld van Afrika vermijden.

Kampement van Peuhl bij Njajene, Senegal (1979)

In context van de tentoonstelling How Far How Near bestaat de neiging om deze foto’s van George Rodger en Willem Diepraam te zien als postkoloniale, stereotyperende beelden. Wanneer de toeschouwer niet bekend is met de rituelen van de Nuba’s, of met de kampementen van de Peuhl in 1979, laat staan met de intenties van de fotografen, dan blijft de interpretatie van de beelden vaak beperkt tot een betekenis die sterk inspeelt op de stereotypen uit het (gekleurde) westerse collectieve geheugen. Dit statuur – als stereotype representatie – wordt vaak bekrachtigd door de ‘levensweg’ van de foto’s: van foto-journalistieke serie tot cover van een tijdschrift, tot object in een museumcollectie. Het is vanwege de iconische status van George Rodgers The Wrestler. Korongo Nuba dat de foto vergezeld door slechts één ander beeld uit de serie, in de collectie van het Stedelijk terecht is gekomen – het bijbehorende fotoboek Village des Noubas bevindt zich in de bibliotheekcollectie. De fotoreeks van Diepraam kwam het museum binnen als een semi-permanente bruikleen van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed en werd aanvankelijk, in de context van het kunstmuseum dat het Stedelijk is, met enige twijfel waargenomen als een opzichzelfstaande serie – terwijl het in feite simpelweg het werkproces van de fotograaf laat zien, op zoek naar het uiteindelijke beeld voor zijn commerciële opdracht. Het boek Sahel, waarin de bewuste foto uiteindelijk weer verscheen, bevindt zich als fotoboek in de fotografiecollectie.

Het museum als plaats voor collectie, behoud en betekenisgeving.

Welke betekenis geeft het Stedelijk Museum aan deze ‘iconische foto’s,’ die op verschillende manieren, maar nooit als directe, doelbewuste aankoop onderdeel zijn geworden van de collectie? In het kader van de tentoonstelling How Far How Near, waarin onderzocht wordt in hoeverre en op welke manier de (niet-westerse) wereld vertegenwoordigd of gepresenteerd wordt in de collectie van het Stedelijk, geven deze foto’s solo blijk van een specifieke geopolitieke realiteit, namelijk het feit dat in het verzamelbeleid de fotografiecollectie van het Stedelijk ‘de wereld’ enkel werd gerepresenteerd door de lens van westerse fotografen. Losgezongen van context en bedoelingen van de fotograaf, tonen deze inmiddels iconische beelden ons niets meer en niets minder dan onze eigen reflectie van ideeën en exotistische verlangens, geprojecteerd op de primitieve Ander. Ze veronderstellen ‘tijdloos’ en ‘universeel herkenbaar’ te zijn, en daarmee representeren ze de ontkenning van externe invloeden, modernisering en ontwikkeling. Hoe doet het museum recht aan de context – of beter gezegd de kaleidoscoop aan contexten – van deze foto’s, die zoveel meer te vertellen hebben?

How far How Near

How Far How Near

Het narratief van How Far How Near is ontstaan vanuit een levendig discours over globalisering in westerse kunstmusea, en richt zich daarom sterk op een diverse culturele en geografische representatie in het museum, zowel in het verzamel- als tentoonstellingsbeleid. Hoewel de tentoonstelling aantoont dat de westerse blik op de wereld dominant is in het Stedelijk, is het niet het enige script dat losgelaten mag worden op deze specifieke fotografische beelden. Het is daarom de verantwoordelijkheid van het museum om in zekere zin te waken voor het functioneren van de fluctuerende ‘boodschap’ van dat beeld. Net als bij ieder ander object dat zich in de collectie van het museum bevindt – maar misschien juist wel bij foto’s die niet primair als kunstwerk gemaakt zijn – is het volgens mij de verantwoordelijkheid van het museum om dit object in een historische context te plaatsen waaruit de intenties van de maker blijken en zo mogelijk beter begrepen kan worden. In zekere zin is het museum verantwoordelijk om te waken voor een ‘fluctuerende boodschap of betekenis’. Daarom is het volgens mij belangrijk om een helder onderscheid te behouden tussen het (oorspronkelijke) verhaal van het object, en het thematische kader van de tentoonstelling waarin het wordt getoond, omdat dit zo bepalend is voor de receptie van deze foto’s.

fig. 7In de tentoonstelling How Far How Near was het bijvoorbeeld een optie geweest om de fotoboeken Village des Noubas en Sahel ook te tonen en zo recht te doen aan ten minste één van de contexten waarin de foto’s van Rodger en Diepraam ook bestaan. Uit praktische overwegingen is dit niet gedaan. Zaalteksten met uitleg over de intenties van de fotografen en de oorspronkelijke context waarin deze foto’s voor het eerst verschenen, moeten er in How Far How Near waken dat de foto van George Rodger en de reeks van drie foto’s van Willem Diepraam enkel op zouden worden gevat als stereotype, kolonialistische beelden. Want deze foto’s vertellen ons zoveel meer. Over onze beeldcultuur, over onszelf, over media en de institutionele context, maar bovenal over de ongrijpbaarheid van het fotografisch beeld.

 

[i] Van den Bosch, F.J.C.M. Willem Diepraam, van fotojournalist naar fotograaf. Universiteit Utrecht: november 1994, p. 57-58.

 

Mirjam Kooiman is conservator in opleiding Fotografie. Kooiman studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, met een speciale interesse voor museumstudies en voor post-kolonialistische benadering in de kunst.

Foto’s tentoonstelling How Far How Near Gert Jan van Rooij.

De tentoonstelling How Far How Near is was te zien van 19 september 2014 t/m t 1 februari 2015 bij Stedelijk Museum Amsterdam. Bij de tentoonstelling verscheen een kleine publicatie.

 

Tags

Related Posts


Geef een reactie