Journal
Geen categorie 18 september, 2014

How Far How Near… Interview met Jelle Bouwhuis

Op donderdag 18 September opende de tentoonstelling How Far, How Near- De Wereld in het Stedelijk met werken uit de collectie van het Stedelijk Museum en met nieuw werk van Godfried Donkor en Lidwien van de Ven dat speciaal voor deze gelegenheid werd gemaakt. De tentoonstelling is een pleidooi voor meer aandacht voor kunst uit regio’s buiten Europa en Noord-Amerika. Naar aanleiding van een aantal recente aanwinsten van Afrikaanse kunstenaars, staat één vraag centraal: waarom was het collectie- en tentoonstellingsbeleid van het museum in het verleden vaak zo geografisch beperkt? Kunstcritica en editor van het Global Collaborations Journal, Christel Vesters, interviewde de hoofdcurator van de tentoonstelling Jelle Bouwhuis, over de achtergronden bij How Far How Near.

Dorothy Akpene Amenuke, How Far How Near, 2012Christel Vesters: De tentoonstelling How Far, How Near – De Wereld in het Stedelijk richt de blik expliciet op kunst uit regio’s buiten Europa en Noord-Amerika, oftewel de westerse kunstwereld. Waarom is dit (juist nu) belangrijk? Voor de westerse kunstwereld in het algemeen, en het Stedelijk Museum in het bijzonder?

Jelle Bouwhuis:Deze tentoonstelling is een van de uitkomsten van een discussie die vooral enkele jaren geleden in Nederland woedde, over het gebrek aan aandacht voor de zogenaamde niet-westerse kunst. In Stedelijk Museum Bureau Amsterdam ging vrijwel tegelijkertijd de film Enjoy Poverty van kunstenaar Renzo Martens in première. De film veroorzaakte veel ophef, omdat deze zo radicaal een hardnekkig, negatief stereotype van ‘Afrika’ exploiteerde. Dat was voor mij en Kerstin Winking (destijds assistent-curator bij SMBA) de reden om ons eens wat meer te verdiepen in verschillende kunstsituaties in Afrika, niet alleen via catalogi of het internet, maar door deze ter plekke te bezoeken. Het Project 1975 richtte zich uiteindelijk vooral op West-Afrika. Deze bezoeken leidden tot een aantal uitwisselingstentoonstelling waar nieuwe kunstwerken uit voort kwamen en die werden weer door het museum verworven. How Far How Near is in de eerste plaats een podium voor enkele van deze werken. Maar tegelijkertijd wil ik terugblikken op de geschiedenis van het museum, en hoe een groot deel van de wereld lange tijd uitgesloten kon worden voor serieuze belangstelling vanuit de moderne kunstmusea. Hoe kon het dat het ‘Westen’ en ‘Niet-Westen’ van elkaar werden onderscheiden als twee totaal verschillende werelden, en wat waren de gevolgen voor het kunstmuseum? Daar is al veel over geschreven; met deze tentoonstelling wil ik het veeleer visualiseren aan de hand van werken uit de collectie. Fotografie en affiches zijn daar een belangrijk onderdeel in.

SM-HOW-FAR-HOW-NEAR-2014-PH.GJ_v2-271x300Christel: Om antwoord te geven op die vragen heb je uitgebreid onderzoek gedaan in de archieven en de collectie van het museum; zowel naar de objecten in de collectie, als de tentoonstellingsgeschiedenis van het Stedelijk als het gaat om niet-westerse kunst. Wat waren je belangrijkste bevindingen? Zijn er aanwijsbare kantelmomenten als het gaat om de interesse van het Stedelijk voor niet-westerse kunst.

Jelle: Om te beginnen was het beleid niet geografisch beperkt, dat is te sterk gesteld. Maar het is wel zo dat hele regio’s in de wereld gewoonweg niet meededen. Dat had vele oorzaken. Ik heb vooral geprobeerd wat van de beweegredenen van het museum te achterhalen. Toen het Stedelijk een museum werd dat volledig op moderne kunst en vormgeving was gericht, dat was na de Tweede Wereldoorlog, was dat vooral vanuit het oogpunt dat de moderne  kunst een emancipatoir voorbeeld werd voor de samenleving in het algemeen. Kwaliteiten als individuele ontplooiing, vrijheid van expressie en experiment waren daarin zeer belangrijk. Het museum stond daarmee allereerst in de brede naoorlogse ontwikkeling van dekolonisatie: overal in de wereld werd het juk van buitenlandse bezetting afgeworpen. Maar dat leidde niet tot grotere aandacht voor de kunst uit al die nieuwe landen.

Stedelijk Restaurant circa 1960.De waterscheiding tussen een museum als het Stedelijk  aan de ene kant en de Volkenkundige musea aan de andere kant, bleef gewoon bestaan of werd zelfs sterker. Toen het idee van volledige artistieke vrijheid zich bijvoorbeeld met de opmars van CoBrA in het Stedelijk manifesteerde,  was in hetzelfde Stedelijk ook nog het Museum voor Aziatische Kunst gehuisvest. Dus de doorbraak van de moderne kunst vond plaats in de context van koloniale objecten een paar zalen verder. Die ‘andere’ kant van de medaille, van de moderne kunst, is nu volledig uit het zicht geraakt en goeddeels weggeschreven uit de geschiedenis van het moderne kunstinstituut. Het leek me goed om die geschiedenis weer eens terug te halen binnen het Stedelijk.

Christel: Deze ‘andere kant’ en de historische relatie die moderne kunst had met niet-westerse objecten is inderdaad een fascinerend gegeven, met name met het oog op de huidige discussies rondom Global Art. Met betrekking tot de geschiedenis van het Stedelijk verwijs jij naar de tentoonstelling Moderne Kunst- Nieuw en Oud uit 1955 waarin werken van modern meesters naast etnografische objecten werden tentoongesteld om aan te tonen dat abstractie en expressionisme universele waarden waren. Hoe verhoudt deze ‘universele kunstopvatting’ uit de jaren ’50 zich tot de huidige discussies?

Jelle: In de ‘blockbuster’-tentoonstelling Moderne Kunst – Nieuw en Oud kon je moderne kunstwerken van bijvoorbeeld Klee, Picasso en Lipchitz bewonderen tussen Afrikaanse maskers en sculpturen, en gedecoreerde schilden en boombast-schilderijen uit de toen nog Nederlandse kolonie Papoea-Nieuw-Guinea, geleend uit de Volkenkundige musea. Het idee erachter was inderdaad dat moderne kunst, lees abstractie en expressie, van alle tijden en plaatsen was. Het was een didactische stellingname die voor een breed publiek was bedoeld, want de tentoonstelling vond plaats in de toen nog nieuwe Nieuwe Vleugel van het Stedelijk en was rechtstreeks te zien vanaf de straat.Tentoonstellingsaffiche Stedelijk 1955

Toch leidde deze benadering van moderne kunst niet tot meer exposities van Afrikaanse kunst uit Afrika of Papoea of waar dan ook. Feitelijk fungeerden deze objecten in Moderne Kunst – Nieuw en Oud als legitimering van de moderne Europese kunst. Ook hier zie je weer hoe een moderne kunstmuseum bijna onbewust koloniaal gedachtegoed inbedt in zijn opvattingen over moderne kunst. In de huidige discussies is de vraag volgens mij veel meer: speelt deze manier van (koloniaal) denken nog steeds een rol? Ik denk dat je die vraag eerst moet beantwoorden voordat je je als  museum kunt begeven op het gebied van de ‘niet-westerse’ kunst. Zoals gezegd, de term ‘niet-westers’ alleen al is een historische constructie, een tegenhanger van de gangbare opvatting van ‘moderne kunst’. Kom daar eerst maar eens overheen, denk ik dan.

Christel: Een tentoonstelling is meer dan een verzameling kunstwerken; het is een verhaal dat wordt vertelt vanuit een bepaald perspectief, over kunst, over de wereld om ons heen. Jij hebt het over een manier van koloniaal denken die bewust of onbewust de omgang met niet-westerse kunst in moderne kunstmusea lange tijd bepaald heeft. Vanuit het postkolonialisme is er vaak kritiek geleverd op deze culturele toe-eigening. Wat zie jij als beste manier om met deze koloniale/postkoloniale posities om te gaan?

Jelle: Er wordt nu in zijn algemeenheid wel gesproken over het ‘dekoloniseren’ van het museum en het ‘re-canoniseren’ van collecties. Want het probleem is natuurlijk dat als je je zorgvuldig wilt verstaan met regio’s die vroeger stelselmatig buiten de deur werden gehouden op grond van doorwerkende koloniale criteria, je ook die criteria moet herzien. Dit betekent dat er andere noties van artistieke kwaliteit moeten worden toegelaten. Dat er andere perspectieven komen op de collectie en misschien ook wel een ‘kill your darlings’ in de collectie-opstellingen. Dat klinkt aardig in de theorie, maar in de museale praktijk blijkt dit enorm lastig. In ieder geval blijkt uit How Far How Near dat de collectie en de rijke museumgeschiedenis hiertoe tal van mogelijkheden biedt. Deze tentoonstelling is een beginnetje.vandeven_V2-295x300

Christel: In een tekst over de tentoonstelling verwijs je naar een quote van de Chileense kunstenaar Alfredo Jaar: “Our little art world is no more than a perfect reflection of the geopolitical reality of the world, and reflects quite perfectly the unbalances that we see everywhere.”Een van de ‘unbalances’ is het feit dat niet-westerse kunst ondervertegenwoordigd is in de kunstwereld en in de collecties van westerse kunstmusea. Inmiddels weten we ook dat simpelweg meer aankopen (i.e. een kwantitatieve inhaalslag) niet de meest duurzame oplossing is, en dat we moeten kijken naar de canon, het DNA van deze collecties. Hoe kan een museum als het Stedelijk volgens jou recht doen aan de positie van niet-westerse kunst en van een museum voor Modern Art, een museum voor Global Art worden?

Jelle: Alfredo Jaar zegt simpelweg dat ongelijkheid op allerlei manieren ook in de kunstwereld tot uiting komt. Geopolitiek dringt door in de keuzes die we maken. En die keuzes worden uiteindelijk verantwoord met artistieke criteria. De klassieke kunstgeschiedenis zuivert de sociale en politieke motivaties weg achter de oorspronkelijke motivaties om iets wel of niet te kiezen. Nu veel kunstenaars zulke geschiedenissen en geopolitiek als materiaal zijn gaan gebruiken in hun werk, wordt dat duidelijker. Het werk van Jaar is zelf een voorbeeld. Ik denk overigens dat hij, vanuit zijn Chileense achtergrond, vooral doelt op de voortdurende dominantie van de Noord-Amerikaanse versie van moderne kunstgeschiedenis, waarin neoliberaal gedachtegoed en patriottisme een belangrijke rol spelen. In die versie is lange tijd weinig tot geen aandacht geweest voor moderne kunst en kunstgeschiedenis uit Zuid-Amerika. Laat staan Afrika, Oost-Europa, Azië. De term Global Art slaat eigenlijk alleen op kunst uit de hele wereld die verknoopt is met dit neoliberaal gedachtegoed. Maar Global Art zegt helemaal niets over lokale kunstgeschiedenissen die juist vaak zo interessant zijn. En dat kan geen enkel museum allemaal behappen. Je zult specifieke interesses moeten ontwikkelen. Vandaar dat we met Global Collaborations lokale samenwerkingen aangaan die in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam een plaats krijgen. Uitwisseling is uiteindelijk interessanter dan alleen maar aankopen doen en werk ‘van elders’ tonen, en framen als zijnde ‘van elders’.
Jelle Bouwhuis is hoofdcurator van Stedelijk Museum Bureau Amsterdam en curator van de Global Collaborations Project.

Christel Vesters is kunsthistorica, curator en kunstcriticus, en editor van het Global Collaborations Online Platform.

De tentoonstelling ‘How Far, How Near’ was te zien van 18 september tot en met 3 december 2014. Tijdens de opening voerde Quincy Gario de performance “A Village called Gario”. Bij de tentoonstelling is een kleine publicatie verschenen.

 

 

Tags

Related Posts


Geef een reactie