Journal
Geen categorie 14 maart, 2014

Kick Off Collecting Geographies Conference

Op 13 maart 2014 vond de kick-off plaats van het driedaagse symposium Collecting Geographies: Global Programming and Museums of Modern Art, geïnitieerd en georganiseerd door het Stedelijk Museum, in samenwerking met ASCA/ACGS van de Universiteit van Amsterdam, Moderna Museet Stockholm, Folkwang Museum Essen, en het Tropenmuseum Amsterdam.

2014 Collecting Geographies SMA 012 adlib

Stedelijk Museum curator Jelle Bouwhuis, opende de avond met een toelichting op de urgente vragen en kwesties die de komende dagen centraal staan. De vragen komen grotendeels voort uit het onderzoeksprogramma Project 1975, waar het SMBA de afgelopen drie jaar aan gewerkt heeft. Hoewel deze vragen en kwesties misschien niet origineel zijn, aldus Bouwhuis, initiatiefnemer van het project, in hedendaagse en moderne kunstinstellingen is er nauwelijks aandacht voor, althans niet in Nederland. Een van de belangrijkste vragen tijdens dit symposium is dan ook ‘Hoe kunnen westerse musea voor moderne kunst omgaan met kunst uit een kunstwereld die steeds sterker globaliseert en dus steeds ‘groter’ wordt?’ Dit brengt ons direct tot aanverwante vragen zoals: ‘Was de wereld vroeger inderdaad kleiner? En waar stond het zogenaamde internationale museum model uit de jaren ’50 voor, en hoe heeft dit archetype zich ontwikkelt tot het huidige global art museum? (Een uitgebreid gesprek met Bouwhuis over de context en de inhoud van het symposium is te vinden op de website van Metropolis M.)
De introductie van Jelle Bouwhuis werd gevolgd door de openingslezing van het symposium, getiteld Leven en dood in het tijdperk van de ‘Global Contemporary’, door Pamela M. Lee, professor in Kunst en Kunstgeschiedenis aan Stanford University. Lee begon haar lezing met een bekend citaat van Chris Marker en Alain Resnais uit hun film Les statues meurent aussi, uit 1952: “Als mensen sterven, treden zij de geschiedenis binnen. Als standbeelden sterven, treden zij de kunst binnen. En deze biotoop van de dood, is wat we cultuur noemen.” Volgens Lee symboliseert deze frase – en de film – de problematische dynamiek van leven en dood die de global contemporary typeert: Op het moment dat objecten uit hun context worden gehaald en in een museum worden geplaatst, wordt hun sociale leven te niet gedaan, en verworden zij of tot etnografisch artefact, of tot object voor esthetische contemplatie.

2014 Collecting Geographies SMA 035 adlib

In haar lezing brengt Lee de vreemde veranderingen en effecten van deze dynamiek in de geglobaliseerde kunstwereld in kaart; een kunstwereld die vaak wordt omschreven met de term global contemporary. Diverse wijdverbreide aannames met betrekking tot de mondiale kunstwereld worden door Lee kritisch geanalyseerd. Zo vraagt zij zich af hoe de global contemporary, verwijzend naar de beeldende kunstwereld van na ’89, is omgegaan met het erfgoed van bijvoorbeeld het post-communistische tijdperk, behalve dan dat zij, heel naïef, net doet alsof het volledig is verdwenen, weggevaagd. Volgens Lee is het belangrijk om stil te staan bij de volgende vraag: Wat is er precies veranderd in de verschuiving van de oude musea naar de hedendaagse geglobaliseerde, musea; in de transitie van het museum van opslagruimte voor dode, koloniale objecten, naar flashy presentatie zalen in dienst van de ervaringseconomie.

Een tweede punt dat Lee maakt is dat de afstand tussen de culturele en de politieke economie steeds kleiner wordt. De politieke en economische rol die aan kunst wordt toebedeeld, is overal steeds evidenter geworden; dit is met name zichtbaar in grootschalige tentoonstellingen, zoals Dokumenta in Kassel. Maar sinds 1989 zijn ‘het postkoloniale’ en ‘het postcommunistische’ op zichzelf doelmatige middelen geworden voor de toenemende belangen van de internationale kunstmarkt.

Een van de casussen die door Lee uitgebreid wordt besproken is het Noord-Koreaanse Munsudae Art Studio Museum in Beijing. Volgens Lee is de oprichting van dit museum, waar objecten die in de Noord-Koreaanse Mansudae Studio worden vervaardigd te koop zijn, een symbolisch voorbeeld van de globaal contemporary, omdat deze instelling tegelijkertijd een transnationale speler op de kunstmarkt is, als een indicator van een ‘omgekeerd kosmopolitisme’. Mansudae staat in scherp contrast met de onderwerpen die in dit symposium Collecting Geographies op de agenda staan; tegelijkertijd adresseert Mansudae de verborgen en twijfelachtige omstandigheden die deze ‘nieuwe kunstwereld’ historisch mogelijk maakten. Mansudae laat zien hoe de hedendaagse kunstwereld in toenemende mate handelt in politieke, economische en maatschappelijke belangen en deze mobiliseert, aldus Lee. Door kritisch te kijken naar de manier waarop kunst steeds vaker de economische belangen en de politieke agenda’s van een land mobiliseert, komt de betekenis en de waarde van een concept als ‘collecting geographies’ in een heel ander daglicht te staan.

Pamela Lee’s verhelderende lezing werd gevolgd door een paneldiscussie met afgevaardigden van de partnerinstellingen, waarin nader werd ingegaan op de centrale vraag hoe musea vandaag de dag omgaan met de global contemporary, in hun collectie beleid en in hun tentoonstellingsprogramma. Om antwoord te kunnen geven op deze vraag, is het zinvol om opnieuw te kijken naar de principes en ambities die bij de oprichting van de instellingen als uitgangspunt dienden. Temeer omdat deze historische kaders vaak, tot op de dag van vandaag de keuzes en beslissingen ten aanzien van de collectie of programmering bepalen, aldus moderator Margriet Schavemaker in haar inleiding op de paneldiscussie. Een tweede vraag, hoe gaan musea om met de geschiedenis van het modernisme? Is de global contemporary bij machte om geschiedenissen aan het licht te brengen die anders onzichtbaar zouden blijven?

Paneldiscussion

Het Folkwang Museum bijvoorbeeld, werd in 1902 opgericht door Karl Ernst Osthaus om onderdak te bieden aan zijn collectie bestaande uit meer dan 2000 niet-Europese objecten, legt Tobia Bezzola, directeur van het Folkwang uit. “Osthaus’ intentie was om een collectie en een museum te creëren waar mensen objecten konden bezichtigen die ‘goed design’ demonstreerden, en zo als voorbeeld konden dienen voor de lokale vakmensen. En op de een of andere manier vond Osthaus deze niet-Westerse objecten het meest toe geschikt. Niet veel later besloot Osthaus de scope van het museum uit te breiden en ook Westerse kunstobjecten op te nemen in zijn collectie. Hiermee werd het Folkwang het eerste museum in de Europese geschiedenis waar Westerse Moderne Kunst naast niet-Westerse objecten werden getoond. Vandaag de dag speelt de collectie een belangrijke rol in het onderzoek en de programmering van het Folkwang; veel van onze tijd en aandacht wordt besteed aan het zoeken naar manieren om op een goede manier met dit ‘archeologische object’ om te gaan, en we nodigen kunstenaars uit hetzelfde te doen.

Voor Ann-Sofi Noring van het Moderna Museet in Stockholm is de vraag of de global contemporary een mausoleum heeft gemaakt van het museum voor moderne kunst, zeer reële. Hoe zorgen we ervoor dat het museum levendig blijft? Moderna Museet werd in 1960 opgericht door Pontus Hultén met stevige wortels in de traditie van de Westerse Moderne Kunst. “We moeten vandaag de dag rekenschap geven van het feit dat de wereld groter is dan Parijs en New York, en in dat opzicht vormt onze erfenis een beperking. In het Moderna Museet zijn we begonnen met te focussen op het lokale, naast het globale. Het is niet zozeer waar we naar toe willen gaan, maar waar we zijn.”

“Hoewel het Tropenmuseum een andere achtergrond heeft, worstelen wij met vergelijkbare issues”, aldus Wayne Modest, hoofd onderzoek in het Tropenmuseum. “De vraag is inderdaad hoe om te gaan met onze institutionele geschiedenissen.” Voor het Tropenmuseum is dit een beladen geschiedenis; het Tropenmuseum heeft zijn oorsprong in de Nederlandse koloniale en imperiale geschiedenis. “Deze erfenis bepaalt niet alleen de context voor de collectie die wij hebben, maar ook voor het instituut, en de identiteit van het instituut. Toch denk ik niet dat we ons van deze erfenis uit het verleden moeten ontdoen, we moeten manieren vinden om er op een relevantie manier mee om te gaan in het hier en nu.” Evenals Ann-Sofi Noring onderstreept Modest het belang van het lokale (boven het ver weg globale). “We moeten ons engageren met de veranderingen die plaats vinden in het lokale; de ‘nieuwe’ mensen die zich hier vestigen. Tegelijkertijd moeten we globaal gaan denken en kritisch reflecteren op wat het nu werkelijk betekent om te handelen in een globale context.”

De panel discussie eindigde met een heldere opdracht voor de panelleden en de mensen in de zaak: Als we daadwerkelijk willen begrijpen wat het betekent om globaal te zijn – in een kunstwereld die nog steeds hoofdzakelijk wit is en onderhevig is aan neoliberale agenda’s – moeten onze instellingen een grote stap voorwaarts maken.

2014 Collecting Geographies SMA 056 adlib

Het symposium Collecting Geographies: Global Programming and Museums of Modern Art vond plaats van 13 – 15 maart in het Stedelijk Museum en het Tropenmuseum in Amsterdam. Het volledige programma en achtergrondinformatie bij de sprekers en deelnemers, vind u hier. Dit najaar lanceert het Stedelijk Museum haar serie met academische e-papers. Het eerste nummer zal zijn gewijd aan de thema’s van Global Collaborations en aan deze conferentie in het bijzonder.

 

Manon Braat is kunsthistorica en freelance kunstcritica te Amsterdam.

Christel Vesters is kunsthistorica, curator en kunstcriticus, en editor van het Global Collaborations Online Platform.

Een van de deelnemers aan de conferentie, Jennifer Burris schreef ook een blog over haar impressies.

Fotografie Monique Kooijmans.

 

Tags

Related Posts


Geef een reactie