Journal
Geen categorie 13 januari, 2015

Kunst, Kapitaal en Avant-garde

In samenhang met de solotentoonstelling Three Exchanges van de in Amsterdam woonachtige kunstenaar Zachary Formwalt die van 27 november t/m 25 januari te zien was in het SMBA, organiseerde het Stedelijk/SMBA samen met De Balie een paneldiscussie rondom het thema kunst, kapitaal en avant-garde. De discussie richtte zich op de verstrengeling van de kunstwereld met de financiële sector: Hoe wordt de financiële waarde van een kunstwerk afgezet tegen van de sociale waarde van een kunstwerk? En hoe kunnen we waarden als ‘kritisch’, of ‘experimenteel’ op een betekenisvolle wijze omzetten in geld? Naast kunstenaar Zachary Formwalt – wiens werk uitgebreid ingaat op de doorgaans onzichtbare mechanismen van de financiële markt – bestond het panel uit Stedelijk Museum directeur Beatrix Ruf, academicus Olav Velthuis en medeoprichter van Frieze, Matthew Slotover. Steyn Bergs doet verslag.

Paneldiscussie De Balie, Amsterdam

De paneldiscussie Kunst, Kapitaal en Avant-garde die op 29 november 2014 werd georganiseerd door het Stedelijk/SMBA en De Balie, was een ietwat merkwaardig event: Vanaf het begin was duidelijk dat de vier panellisten– kunstenaar Zachary Formwalt, museumdirecteur Beatrix Ruf, academicus Olav Velthuis en medeoprichter van het tijdschrift en de kunstbeurs Frieze Matthew Slotover– met betrekking tot een aantal van de onderwerpen die aan bod kwamen onderling erg van positie verschilden. Desondanks kwam het geanimeerde debat dat men gezien deze zeer afwijkende posities zou verwachten, of op zou hopen, niet van de grond. Alle vier sprekers leken te veel op hun hoede om een diepgravend debat aan te gaan. Gelukkig betekende dit niet dat het symposium niet interessant en stimulerend was. Na een korte introductie door moderator Defne Ayas, directeur van Witte de With Centre for Contemporary Art in Rotterdam, zette de vier sprekers om de beurt hun visie en standpunten uiteen over het complexe en veelomvattende thema van die middag

2De eerste persoon achter de microfoon was Zachary Formwalt, een kunstenaar wiens werk ingaat op de problematiek om de inherent abstracte economische en financiële relaties en processen in de wereld weer te geven, en wiens tentoonstelling Three Exchanges net was geopend in het SMBA. Aan het begin van zijn presentatie gaf hij het publiek de suggestie mee om de rol van het kapitalisme als netwerk van sociale verhoudingen niet te simplificeren maar ook niet te mystificeren; een oproep die binnen de kunstwereld net zoveel gewicht zou moeten hebben als daarbuiten. Vervolgens sprak Formwalt over de video installaties die te zien waren in zijn tentoonstelling waarbij hij met name inging op zijn onderzoek naar de effectenbeurzen van Shenzhen en Amsterdam, en de geschiedenis van de kapitaalmarkt. Hierbij richtte hij zich ook op zijn rol als onderzoeker en als kunstenaar. Wanneer wordt onderzoek, kunst, bijvoorbeeld? En wat is het belang van artistieke productie in meer algemene zin? Hoe kan het – al is het maar een factie – de abstracties evenaren van de geautomatiseerde, flits transacties waarop de financiële sector draait? Formwalt’s presentatie was met name interessant voor diegene die zijn werk kennen. Omdat zijn onderzoek zich richtte op laat-kapitalisme in brede zin, was het een goede opening van het symposium, ook al ging het niet specifiek in op de kunstwereld of de kunstmarkt – een sector die nog steeds een unieke, uitzonderlijke en enigszins vreemde niche vormt binnen het kapitalistisch systeem.

3Beatrix Ruf daarentegen, onlangs aangetreden als de nieuwe directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam, zoomde direct in op de kunstwereld. Ruf besprak de wat zij als ‘verwarringen, achterdocht en kloven’ bestempelde en ging met name in op de verschillen tussen het marktsegment van de kunstwereld en het zogenaamde institutionele domein. Het is weliswaar het topsegment van de kunstmarkt dat de krantenkoppen haalt, maar de kunstinstuties zijn de werkelijke motor van de kunstwereld, aldus Ruf. Voortbordurend op deze redenatie nam Ruf de asymmetrische verhouding tussen de markt en de ‘institutionele, existentiële realiteit van kunst’ verder onder de loep. Hierbij maakte ze een belangrijk punt: Hoewel het de kunstinstellingen zijn die in eerste plaats zoiets als artistieke waarde genereren, is het de markt die de financiële vruchten plukt van deze inspanningen. Hoewel Ruf’s argument in veel opzichten doet herinneren aan de tekst van Andrea Fraser Le 1%, c’est moi!, Ruf lijkt geen aanhanger van Fraser’s – toegegeven – radicale propositie om de kloof tussen deze twee segmenten – markt en instituten – actief te bekrachtigen en het idee van een coherente en homogene kunstwereld op te geven.

4

De derde spreker die middag was Olav Velthuis, universitair docent en onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam, en gespecialiseerd in de kunstmarkt. In zijn presentatie met als titel ‘The Global Art Market Boom: Reality or Moral Panic’, trachtte hij aan te tonen hoe het populaire debat over de globale kunstmarkt niet alleen totaal hysterisch is, maar ook enkel van toepassing is op bepaalde segmenten van die markt. Op de zogenaamde record verkoopprijzen bijvoorbeeld, moeten een inflatie correctie worden toegepast omdat er anders geen gelijkwaardige basis is voor een historische vergelijking. Ook stelt hij dat de idee dat de huidige verzamelaar kunst vooral als een financiële investering zou beschouwen, een mythe is. Het speculeren met kunst is ook geen nieuw verschijnsel, alleen is de ‘holding time’ voor kunstwerken vergeleken met het verleden (bijvoorbeeld met de jaren tachtig) aanzienlijk langer. De huidige consternatie over de boom op de kunstmarkt, aldus Velthuis, wordt bovenal gecreëerd en gevoed door de media die er ogenschijnlijk op uit zijn om een soort van morele paniek te zaaien. Velthuis besloot zijn presentatie met de stelling dat het top, beleggingssegment van de kunstmarkt misschien een boom beleeft, ‘er geen reden is om deel te willen zijn van de 1% top van de globale kunstmarkt.’

Velthuis’ korte lezing was de perfecte baanbreker voor Matthew Slotover, die met zijn posities als uitgever van Frieze magazine en mededirecteur van de Frieze Art Fair, precies het topsegment representeerde waar Velthuis aan refereerde. Slotover’s presentatie leek vooral een verontschuldiging voor de handel en wandel van dedoor beleggingen gedreven geinkunsthandel, waarbij hij dankbaar aanhaakte bij een aantal opmerkingen uit Velthuis’ presentatie, en de zaal ervan probeerde te overtuigen dat de interesse van de allerrijksten in kunst, de kunstwereld nog altijd ten goede is gekomen. We zouden daarom volgens Slotover moeten stoppen met zo argwanend te zijn ten opzichte van verzamelaars, en in plaats daarvan dankbaar zijn voor alles wat zij voor de kunstwereld hebben betekend. Later die middag zou Slotover een toelichting geven op Frieze Projects; een non-profit onderdeel van Frieze London en concluderen dat er ‘geen probleem is zolang het geld de kunst volgt, en niet andersom.’

6

Na deze vier presentaties werd de discussie geopend voor vragen uit het publiek. Helaas leverde de Q&A met het publiek geen nieuwe inzichten of discussies op die iets toevoegden aan de punten waarover alle sprekers het al eens waren: namelijk dat de kunstwereld is onderverdeeld in afzonderlijke economische segmenten. Zachary Formwalt plaatste hier de opmerking bij dat hij als kunstenaar in een deel van de kunstwereld opereert die in zijn geheel losstaat van de kunstwereld zoals Velthuis en Slotover deze schetsten. Impliciet of expliciet stemde het panel is dat wanneer we de kunstwereld als een economisch systeem beschouwen zij vooral gekenmerkt wordt door een extreme, economische ongelijkheid.

Maar, zo zou men zich kunnen afvragen, zijn deze economische ongelijkheden per definitie slecht? Jammer genoeg leken de panelleden niet echt bereid om deze vragen in beschouwing te nemen. Verder was het opvallend dat de precaire werkomstandigheden in de culturele sector in dit opzicht niet ter sprake kwamen. Deze discussie over kunst, kapitaal en avant-garde richtte zich met name op personen als Larry Gagosian en Jeff Koons, terwijl de legioenen aan onderbetaalde werknemers waar grote delen van de kunstwereld tegenwoordig op draaien, nagenoeg ongenoemd bleven – zelfs niet toen de recente bezuinigingen in Nederland ter sprake kwamen. Er was nog een belangrijke vraag, ingebracht door iemand in het publiek: Wat is de positie van de avant-garde in dit debat? Geen van de panelleden leek een helder antwoord op deze vraag te hebben, noch over wie vandaag de dag de avant-garde vertegenwoordigd. Wat wel duidelijk was, is dit: het is of de multi-billionair verzamelaar die ver voor de troepen uit is, en de ene na de andere Warhol in zijn opslag in het belastingparadijs Bahamas opslaat, of de onderbetaalde museum stagiair die continue aan het werk is en in de tot nachtmerrie verworden avant-garde droom leeft waarbij kunst en het alledaagse leven een zijn geworden…

 

Steyn Bergs is kunstcriticus en onderzoeker. Momenteel volgt hij de MA opleiding Visual Arts, Media and Architecture aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en is hij editor bij Kunstlicht journal.

 

 

Tags

Related Posts


Geef een reactie