Journal
Geen categorie 21 januari, 2015

Uitbreiding van de fotografiecollectie in het Stedelijk en het probleem van geografisch verzamelen.

Hoe ziet de wereld eruit in het Stedelijk? Deze vraag vormde het startpunt van de tentoonstelling How Far How Near, waarin onderzocht wordt in hoeverre en op welke manier de (niet-westerse) wereld vertegenwoordigd of gepresenteerd wordt in de verschillende collecties en tentoonstellingspresentaties van het Stedelijk. Zo wordt in de tentoonstelling een bescheiden greep getoond uit een belangrijke verzamellijn in de fotografiecollectie van het Stedelijk, te weten de traditie van documentaire- en reportagefotografie. Dit cluster toont een specifieke geopolitieke realiteit, namelijk het feit dat in het verzamelbeleid voor de fotografiecollectie, ‘de wereld’ tot voor kort enkel werd gerepresenteerd door de lens van westerse fotografen. Hierin wordt sinds het afgelopen decennium verandering gebracht. Maar wat levert de uitbreiding van het geografische blikveld en posities op? Welke verwachtingspatronen ontstaan daarbij vanuit westerse kunstmusea? En wat voor verschuivingen brengt dit teweeg in de beeldvorming en de mogelijkheid tot zelfrepresentatie van ‘de ander’ in het Stedelijk?

Walid Raad, Already been in a lake of fire, 2011

Sinds 2012 heeft het Stedelijk Museum in haar collectieplan vermeld staan dat het zich wil gaan richten op fotografie uit het Midden-Oosten. De aankoop van het kunstwerk Notebook Volume 38: Already Been in a Lake of Fire (Plates 67-68) (1991/2003) van de Libanese kunstenaar Walid Raad in 2011 is hier een eerste aanzet toe geweest. Maar hoe nu verder? De realiteit is dat het formuleren van een geografisch afgebakend gebied zoals het Midden-Oosten als leidraad in het aankopen en presenteren van fotografie, meestal leidt tot tentoonstellingen met titels als Light from the Middle East (V&A, 2012), Breaking News. Contemporary Photography from the Middle East and Africa  (Fondazione Cassa di Risparmio di Modena, 2010) of Unveiled: New Art from the Middle East (Saatchi Gallery, 2009). Deelnemende kunstenaars worden in deze groepstentoonstellingen veelal gereduceerd tot cultural representatives, waarbij hun individuele artistieke posities niet alleen ondergeschikt zijn aan een cultureel essentialisme, maar ook aan de westerse ‘Midden-Oosten trend’, getriggerd door thema’s als de ‘Arabische Lente’, revolutie, hoop en verandering.

Als deze thematische kaders al iets suggereren, zo stelt Whitechapel Gallery curator Omar Kholeif in zijn essay ‘Re-examining the Social Impulse: Politics, Media and Art after the Arab Uprisings’ (2012) op het online platform Ibraaz, dan is het dat er van kunstenaars en curators met een ‘Arabische’ identiteit verwacht wordt dat zij zich bezig houden met de sociaal-politieke gebeurtenissen vanuit hun ‘lokale’ context, ongeacht of deze context hun kunstwerk direct beïnvloedt of niet. De Libanese kunstenaar Lamia Joreige ziet hierin een nieuw oriëntalisme dat regio’s en culturen simplificeert tot ongenuanceerde categorieën en ideeën. De vraag is in hoeverre globalisering ons daadwerkelijk dichterbij ‘de rest van de wereld’ heeft gebracht, daar de westerse beeldvorming in essentie nog steeds beschamend dichtbij kolonialistische denkbeelden ligt. Ondanks snelle ontwikkelingen op het gebied van mobiliteit en informatie- en communicatietechnologie, blijft de westerse wereld sterk de neiging hebben om verschillende landen in delen van de wereld generaliseren, en is enige nuancering in stereotype beelden nog altijd ver te zoeken.

Sidibé - Nuit de Noël (Happy Club)

Het formuleren van nieuwe, niet-westerse aandachtsgebieden voor het collectiebeleid is echter niets nieuws. In 2000 vond in het Stedelijk Museum CS een solotentoonstelling van de Malinese fotograaf Malick Sidibé plaats. Stedelijk’s conservator fotografie Hripsimé Visser zag in zijn foto’s uit de jaren zestig en zeventig van de jongerencultuur van Mali een connectie met de Nederlandse fotograaf Ed van der Elsken, die prominent in de collectie vertegenwoordigd is. Op een vergelijkbare, intieme wijze als Sidibé,- mengde Elsken zich met zijn camera in het leven van jongeren op straat, in Parijs en Amsterdam. De  opnames van Sidibé waren een totale verrassing tegenover de stereotype beelden van Afrika met geweld, honger en exotisme, die de westerse kijker gewend is te zien. Vervolgens haalde het Stedelijk in 2008 de reizende tentoonstelling Snap Judgments – nieuwe standpunten in hedendaagse Afrikaanse fotografie van de vermaarde curator Okwui Enwezor in huis. Snap Judgments bracht in kaart hoe recente fotografie uit Afrika inhoudelijk inmiddels veel verder reikt dan het vastleggen van Afrikaanse tradities en tekens van westerse invloed: nieuwe esthetische verkenningen en artistieke posities van Afrikaanse fotografen werden uitgelicht. In deze periode is er  van verschillende Afrikaanse kunstenaars werk aangekocht voor de collectie, bijvoorbeeld van de Zuid-Afrikaanse fotograaf Zwelethu Mthethwa, de Nigeriaanse kunstenaar Oladélé Ajiboyé Bamgboyé en de Egyptische kunstenaar Hala Elkoussy.

Exhibition poster Snap JudgemenstDe ontwikkelingen die getoond werden in Snap Judgments zijn in zekere zin onderdeel van internationale trends binnen de hedendaagse fotografie, waarin fotografen zich niet meer toeleggen op het direct vastleggen van gebeurtenissen, maar op het visualiseren van de sporen en impact van conflictsituaties – wat er komt ná the decisive moment. Dit markeert ook een omslag in de traditionele verzamellijn in de Stedelijk-collectie, van de klassieke documentaire en reportage naar een focus op metaforische of analytische benaderingen in geëngageerde fotografie. De artistieke positie van de fotograaf vormt daarbij het uitgangspunt. Deze omslag houdt ook een andere, paradigmatische ommekeer in: “niet-westerse” fotografen spelen een belangrijke rol in deze ontwikkeling en verwerven steeds meer (wereldwijde) aandacht voor hun werk. Dit zorgt voor alternatieve beelden en beeldvorming van betreffende regio’s.

tentoonstelling Snap Judgements, 2008

 

 

Deze verschuiving in de ‘documentaire’ fotografie is ook zichtbaar in How Far How Near: Naast de traditionele documentaire- en reportagefotografie die rondom de monumentale trap van het museum is tentoongesteld, worden er hedendaagse posities in geëngageerde fotografie getoond.  Het eerder genoemde werk van Walid Raad toont een nieuwe omgang met vormen van fotografische documentatie: met een authentiek lijkend notitieboek van een desalniettemin fictieve historicus in combinatie met foto’s van bepaalde typen auto’s, inventariseert hij in dit werk autobomaanslagen tijdens de Libanese oorlogen. Raad verkent zo alternatieve methoden om politieke en sociale conflicten vast te leggen, door fictieve en feitelijke gegevens met elkaar te verweven als een reflectie van een complexe realiteit. Een andere brug tussen klassieke vormen van documentaire fotografie en een meer kritische, conceptuele benadering wordt geslagen door de Zuid-Afrikaanse fotografen David Goldblatt en Guy Tillim. Goldblatt nam voor de serie The Transported of KwaNdebele (1984) foto’s van de acht uur durende, nachtelijke busreis die zwarte Zuid-Afrikanen moeten nemen van het werk naar hun thuis in een nog altijd etnisch gescheiden gebied, als gevolg van de ideologie van de apartheid. Guy Tillim legt met het tweeluik Hotel Mozambique (2008) een voorbeeld van de modernistische architectuur vast die ontstond in de golf van optimisme in een aantal Afrikaanse landen na hun onafhankelijkheidsverklaring. Tegenwoordig staan deze luxe gebouwen er vervallen bij. Goldblatt en Tillim leggen zo ieder op hun eigen manier de langdurige consequenties van de apartheid en het westerse koloniale tijdperk in Afrika vast.

 

How Far, How Near 2014

Een juxtapositie van een niet-westerse en een westerse blik op een situatie valt samen in een zaal van How Far How Near waar de sociaal geëngageerde, Nederlandse fotograaf Koen Wessing met zijn reportageserie Santiago, 1973 tegenover drie werken van de Chileense kunstenaar Alfredo Jaar hangt. Beiden reflecteren met de getoonde werken op de gewelddadige staatsgreep in Santiago, Chili op 11 september 1973, waarbij Augusto Pinochet president Salvador Allende uit zijn machtspositie zette. Wessing vertrok direct naar Santiago en wist als een van de weinige fotografen een reportage te maken van deze gebeurtenis, welke in 1974 verscheen als boek. Alfredo Jaar moest als Chileen eerst het regime van Pinochet ontvluchten in 1982, om in staat te zijn er artistiek op te kunnen reageren. Zo bevat zijn serie Faces nieuwsfoto’s van de dagen na de staatsgreep, die in het buitenland de kranten beheersten, maar in Chili werden gecensureerd.  Waar Wessings reportage van de coup zich als een directe getuigenis aan de beschouwer voordoet, heeft Jaar achteraf door middel van conceptuele benaderingen gereflecteerd op de gebeurtenis en de consequenties ervan. De drie werken September 11, 1973, Faces en Nothing of Very Great Consequence zijn in het kader van How Far How Near door het Stedelijk aangekocht. Het gaat hier niet zozeer om de tegenstelling westers/niet-westers, maar om de contextualisering van een historische gebeurtenis, verbeeld in het werk van twee kunstenaars met verschillende artistieke posities en vanuit een verschillende ervaring van het conflict. Het is juist dit synchrone verband tussen het werk van Wessing en Jaar dat deze aankoop zo relevant maakt voor de collectie als geheel.

combine_images

Het aankopen van niet-westerse kunstenaars op grond van artistieke posities en benaderingen die aansluiting vinden (ook mogelijk in de vorm van een conflicterende blik of tegenstelling) op belangrijke lijnen in de bestaande collectie, is naar mijn idee een zinnige tactiek in het ontwikkelen van een global verzamelbeleid. Dit klinkt logisch, maar de algemene praktijk loopt vooralsnog vaak achter, als we luisteren naar de kritiek op het ‘nieuwe oriëntalisme’ in de westerse kunstwereld. Een geografisch of globaal georiënteerd verzamelbeleid moet dan ook niet betekenen dat er een geografisch gebied als focus wordt benoemd en het museum vervolgens daaruit een lukrake greep aan kunstenaars doet. Het museum moet juist vanuit de eigen, lokale context op zoek gaan naar (nieuwe) relaties, invloeden en uitwisselingen die dankzij globalisering zijn ontstaan en aan de hand van die aanknopingspunten haar verzamelbeleid uitstippelen, om zo andere kunstpraktijken, culturele achtergronden, zelfs andere kunstgeschiedenissen te betrekken bij de veranderende identiteit van het internationale kunstmuseum.

 

Mirjam Kooiman is conservator in opleiding Fotografie. Kooiman studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, met een speciale interesse voor museumstudies en voor post-kolonialistische benadering in de kunst.

Foto’s tentoonstelling How Far How Near Gert Jan van Rooij.

Tags

Related Posts


Geef een reactie